Historie

Gerrit van Iterson en Nederlands-Indië

De geschiedenis van de Botanische Tuin TU Delft is onverbrekelijk verbonden met de landbouw in onze grootste kolonie Nederlands-Indië en met de persoon van Gerrit van Iterson Jr. (1878-1972), die van 1917 tot 1948 de leiding had over de tuin. In de periode 1880 - 1910 nam de wetenschappelijke belangstelling voor de tropische landbouw sterk toe. Vanuit de beroemde botanische tuin in Buitenzorg (nu Bogor) ontstond een net van proefstations waarin een breed scala van wetenschappelijk onderzoek plaatsvond. Dat richtte zich eerst vooral op de grote 'cultures', koffie, suiker, tabak rubber en thee. Onder invloed van de 'ethische koloniale politiek' kregen ook de gewassen die de bevolking van Nederlands-Indië traditioneel verbouwde wetenschappelijke belangstelling.

Gerrit van Iterson Jr. (1878-1972)

In 1901, precies in die periode van toenemende belangstelling voor de tropische botanie, studeerde Van Iterson af aan wat toen nog de Polytechnische School heette. Hij volgde naast het gewone studiepakket twee extra vakken, waardoor hij in contact kwam met twee illustere Delftse hoogleraren. Dat waren M.W. Beijerinck, de grondlegger van de moderne microbiologie, en H. Behrens die het vak microchemie doceerde.

Van Iterson kreeg in 1902 een assistentschap bij Beijerinck en promoveerde zes jaar later cum laude bij hem op een proefschrift met een sterk wiskundig karakter. Het kreeg uitstekende kritieken en werd zelfs in de jaren '70 van de vorige eeuw nog geciteerd.

 

 

 

Eerst nog Oude Delft 81

M.W. Beijerinck Beijerinck, die in 1905 van de Polytechnische School een eigen laboratorium en woonhuis aan de Nieuwe Laan had gekregen, had grote verwachtingen van zijn promovendus. Hij wendde zijn invloed aan en zorgde er voor dat Van Iterson in 1907 hoogleraar werd in een voor Delft nieuw vak, de microscopische anatomie. In Beijerincks laboratorium kreeg Van Iterson ruimte voor zijn colleges. Ook de tuin en de planten daarin mocht hij gebruiken.

Microscopische anatomie was in Delft geen verplicht vak. Toch waren de colleges die Van Iterson aan de Nieuwe Laan gaf buitengewoon populair. Dat had als gevolg dat het laboratorium aan de Nieuwe Laan voor beide leerstoelen te klein werd. In de zomer van 1908 kreeg de jonge hoogleraar de beschikking over een eigen ruimte, het Oude Kantongerecht aan de Oude Delft 81. Het huis had ook een tuin, die geschikt werd gemaakt voor het kweken van de planten die nodig waren bij zijn onderwijs en onderzoek. Daarbij gaf Van Iterson de voorkeur aan gewassen die bruikbaar waren in de techniek en legde hij de basis voor de studie die hij later de 'Technische Botanie' zou noemen.

 

 

 

De noodzaak van een nieuwe tuin

Het pand aan de Oude Delft, maar vooral de tuin ervan, waren te klein voor het onderzoek dat Van Iterson voor ogen had. Hij drong er nauwelijks een jaar later dan ook met klem op aan een eigen, specifiek voor zijn vak toegerust laboratorium te krijgen.

Van Iterson formuleerde zelf in 1908 de noodzaak van een cultuurtuin als volgt:

" Wil de aanstaande ingenieur de processen, welke vereischt worden ter verkrijging van de zoo gewichtige producten uit het plantenrijk volkomen kunnen doorgronden, dan zal hem de gelegenheid moeten worden geschonken de gewassen, welke daarvoor uitgangspunt zijn, zoals zij aan de techniek worden aangeboden, d.i. in de meeste gevallen in levenden toestand, te bestuderen…

Interieur laboratorium

Uit den aard der zaak behoeft zulk een tuin aan een Technische Hoogeschool niet van zeer grooten omvang te zijn, maar ze moet toch dusdanige afmeting bezitten, dat wanneer dit voor de bestudering van bepaalde processen gewenscht blijkt te zijn, op eenigszins uitgebreide schaal een culture kan worden aangelegd ".

De curatoren van de Hogeschool steunden Van Itersons verzoek naar de minister, waar ze de bouw van een nieuw laboratorium als 'urgent' bestempelden. Onder de behoudende regeringen uit die tijd maakte het voorstel echter weinig kans. Er kwamen wat veranderingen aan het huis, het Rijk stelde een extra stuk land achter het huis ter beschikking en er werd een kleine kas in de tuin gebouwd.

 

 

 

De studenten gaven de doorslag

De toestemming voor de bouw van een nieuw laboratorium en de daarbij behorende proeftuin werd steeds weer uitgesteld. Dat veranderde toen Van Iterson in 1911 het aantrekkelijke aanbod kreeg om directeur van het proefstation voor de Javasuikerindustrie te Pasoeroean te worden. Toen hij dit ook serieus overwoog, kwamen bestuurders en studenten samen in actie. Zij vroegen de minister om er voor te zorgen dat Van Iterson en zijn onderzoek niet voor Delft verloren zouden gaan. De minister reageerde deze keer positief en vroeg Van Iterson om in Delft te blijven. Later verklaarde hij dat vooral het verzoek van de studenten bij hem de doorslag had gegeven.

Na een korte aarzeling besloot Van Iterson om in Delft te blijven. Daarbij stelde hij wel als voorwaarde dat hij op korte termijn een eigen instituut voor onderwijs en onderzoek zou krijgen. Dat werd inderdaad toegezegd, maar de inlossing van die belofte zou nog veel voeten in de aarde hebben.

 

 

 

Het terrein voor de tuin

Voordat zijn Cultuurtuin er kwam moest Van Iterson flink wat geduld hebben. Ambtelijke molens malen nu eenmaal langzaam. Toen hij voorstelde om zich voor de bouw en inrichting van het nieuwe laboratorium te mogen oriënteren in het buitenland, liep dat vast op weerstand bij het ministerie. Na flink wat strubbelingen werd het toch nog, in zo bescheiden mogelijke vorm, toegestaan. Ook de beslissing om een stuk grond aan te kopen werd steeds weer uitgesteld. In april 1914 was het eindelijk zover en kreeg de Technische Hogeschool land voor de tuin ter beschikking.

De tuin vroeger

Het was waarschijnlijk niet direct wat Van Iterson had verwacht voor zijn nieuwe botanische tuin. Het terrein lag zuidelijk van de Schie in wat ook nu nog de Wippolder heet en was ongeveer drie hectare groot. Het lag laag en bestond uit een drassig weiland. Na onderzoek bleek dat laatste te komen doordat dicht onder het oppervlak een ondoordringbare laag klei zat. Om het terrein geschikt te maken zou het ingrijpend moeten worden verbeterd, de afwatering moest drastisch worden aangepakt en het maaiveld moest een flink stuk omhoog.

Verder waren er voor het gebruik ook nog beperkende voorwaarden. Aan de Kanaalweg, grenzend aan de tuin, had de Polytechnische School in 1895 het kenmerkende gebouw voor Geodesie met een koepel voor een telescoop gebouwd. Om het de studenten mogelijk te maken om hun landmetingen te blijven verrichten mocht in een stuk van de tuin geen hoge beplanting worden aangebracht.

 

 

 

De nodige grondverbeteringen

De tuin vroeger In 1913 en 1914 liet de gemeente Delft door een Schevenings bedrijf straten aanleggen in de Wippolder. Om de kosten van de verbetering van de grond in de botanische tuin zo laag mogelijk te houden vroeg de Technische School dit bedrijf om tegen betrekkelijk lage kosten de noodzakelijke verbeteringen uit te voeren.

Het bedrijf nam de opdracht aan en ging aan het werk. De eerste 30 tot 40 centimeter van de bovenlaag van het weiland werden afgegraven. In de ondoordringbare kleilaag daaronder werden twaalf greppels gegraven tot aan het grondwater. Deze werden volgestort met schoon duinzand. De bedoeling was om zo de waterhuishouding onder controle te krijgen. Op de klei kwam een flinke laag schoon duinzand. Daar bovenop kwam de oorspronkelijke bovenlaag van het weiland weer terug. Hierdoor kwam het maaiveld aan de huidige Julianalaan ruim een meter hoger te liggen. Vanaf dat punt liep de tuin glooiend af naar de Kanaalweg.

Of de kosten betrekkelijk laag waren valt achteraf te bezien. Het hele project, ophoging, aanleg, bouw van de kassen en van een woning voor de tuinman, kostte bijna 90.000 gulden, een fors bedrag in die tijd. Een flinke portie daarvan werd gevormd door de kosten van de ophoging en drainering.

 

 

 

De tuin krijgt structuur

Laboratorium voor Technische Botanie Nadat het voorbereidende werk was gedaan kon de aanleg van de tuin zelf beginnen. Inmiddels was aan de Julianalaan ook begonnen met de bouw van het Laboratorium voor Technische Botanie. Het ontwerp daarvoor kwam van de bekende architect J.A.W. Vrijman, die onder andere ook de oude centrale bibliotheek van de universiteit ontwierp. In oktober 1917 was het nieuwe laboratorium klaar voor gebruik door studenten en personeel.

Rondom het nieuwe laboratorium was ongeveer twee hectare voor de tuin beschikbaar. Het basisontwerp voor de botanische tuin werd gemaakt en uitgevoerd door de firma T. Koeslag & Zn uit Delft. De eerste hortulanus van de tuin, E.H.J. Cunaeus, maakte in 1917 een plan voor de rest van de beplanting. Het terrein werd in drie stukken verdeeld. Het noordelijke en zuidelijke stuk lagen hoog, het westelijke een stuk lager. In het noordelijk gelegen deel kwamen de kassen, in het zuidelijke kwam de imposante bomentuin met fraaie gebogen paden.

Het meest westelijke deel van de tuin kreeg aanvankelijk de minste aandacht. Daar zou de tuin voor grote aantallen één- en tweejarige gewassen komen, die in het laboratorium als proefmateriaal gebruikt zouden worden. Om dit deel op te hogen werd geen zand gebruikt, maar werd een vijver gegraven. Met de vrijkomende aarde werd de tuin daar opgehoogd. In dit deel werd ook een andere, functionele tuinarchitectuur toegepast, rechthoekige perken, doorsneden met rechte paden.

 

 

 

De bouw van de kassen

Kassen in aanbouw Een van de instellingen die Van Iterson tijdens zijn oriëntatiereis had bezocht was de botanische tuin in München-Nymphenburg. Hij was zo onder de indruk van wat hij daar had gezien, dat de zes kassen in de Delftse tuin werden ontworpen en geconstrueerd door de Duitse firma, Gustav Röder, die tussen 1910 – 1912 in München de kassen had gebouwd.

Op de plattegrond is te zien dat één kas, die toegang geeft tot het complex, gebouwd is in Oost-West-richting en dat de andere vijf kassen daar haaks (in Noord-Zuid-richting) op staan. Doordat een paar kassen uit verschillende, afsluitbare delen bestaan is het mogelijk om planten uit verschillende klimaten in dezelfde kas te kweken. In de hoogste kas, waar de planten in de 'volle' grond staan, kunnen tropische planten tot hun natuurlijke grootte uitgroeien.

De kassen werden in de loop van de tijd vooral gebruikt voor het kweken van subtropische en tropische gewassen, die een economische betekenis hebben of hadden. Dat waren onder andere de kokospalm, oliepalm, dadelpalm, rijst, suikerriet, thee, koffie en kinabomen. De kassen van de Cultuurtuin waren een groot succes, al bleek dat sommige tropische en subtropische planten veel groter werden dan aanvankelijk was gedacht. Een oud-medewerker verzuchtte dan ook: "Hier heeft zich de sterke drang tot bezuiniging die op alle voorstellen is uitgeoefend, gewroken".

 

 

 

Al snel uitbreiding

Een gevolg van alle bezuinigingen was ook dat een oranjerie, waar de niet-winterharde kuipplanten in de winter een veilig onderkomen konden krijgen, wel hoog op de verlanglijst stond, maar er pas veel later kwam. In de jaren '70 werd die uiteindelijk gebouwd.

Kruidentuin Voor een botanische tuin was de oppervlakte van twee hectare aan de kleine kant. Aangrenzend aan de tuin stond de leerlooierij van de firma Roes & Zn. Behalve bedrijfsgebouwen had die firma ook een stuk terrein in bezit, waarop Delftse apothekers een kruidentuin hadden ingericht. Hun bedoeling was om daar de voor de farmacie belangrijke planten te kunnen laten zien. In december 1917 werd deze kruidentuin, die was opgehoogd met vruchtbare bagger uit de Provinciale Vaart, door het Rijk voor de botanische tuin aangekocht.

De naam 'kruidentuin' bleef bestaan, de bestemming veranderde. De nieuwe 'kruidentuin' werd verdeeld in vakken, met eenjarige of vaste en vooral 'nuttige' planten. Elk vak had zijn eigen onderwerp. Zo waren er vakken met medicinale planten, planten die nuttige vezels leveren, planten die konden worden gebruikt voor het maken van kleurstoffen en natuurlijk ook planten die als genotsmiddel werden gebruikt.

 

 

 

Herbarium en zadenverzameling

Niet alleen de levende planten waren belangrijk. Een herbarium, waarin gedroogde en wetenschappelijk beschreven planten veilig worden bewaard, neemt binnen de botanie een belangrijke plaats in. Een deel van het gedroogde materiaal had een archieffunctie, het maakte het eenvoudiger nieuw binnengekomen planten op naam te brengen. Een ander deel kon, als er geen verse planten beschikbaar waren, worden gebruikt voor colleges of demonstraties. Het herbarium van de Cultuurtuin groeide in de periode tussen de wereldoorlogen aanzienlijk. Dit was vooral te danken aan Mw. dr. A. Kleinhoonte, die in die tijd verantwoordelijk was voor het systematische deel van de Cultuurtuin.

Naast gedroogde planten spelen ook de zaden een belangrijke rol, in de eerste plaats om de eigen kosten van de aankoop van steeds nieuwe planten te verminderen. Doordat iedere botanische tuin zo'n verzameling zaden aanlegde, ontstond in de loop van de tijd een compleet internationaal circuit waarin kosteloos zaden en soms ook stekken werden uitgewisseld. Jaarlijks worden over de hele wereld de lijsten met beschikbaar materiaal verstuurd. In het begin van de jaren '60 deden er ruim 500 botanische tuinen over de hele wereld aan mee. De Delftse botanische tuin verstuurde toen jaarlijks 5000 zaden.

 

 

 

In woelig water

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de tuin het moeilijker. De verzelfstandiging van onze belangrijkste kolonie en de kille verstandhouding daarna tussen ons land en de jonge staat Indonesië hadden grote invloed. Het Delftse onderwijs en onderzoek was traditioneel immers altijd erg betrokken bij de tropische landbouw. In de economisch moeilijke naoorlogse periode wordt er dan ook in de eerste plaats naar gestreefd de collectie op peil te houden.

Binnen het onderwijs en onderzoek in Delft verliest de algemene en technische biologie, de opvolger van de technische botanie, snel terrein. De microbiologie en de microchemie worden steeds belangrijker. Dat heeft gevolgen voor de tuin. Ook de herstructurering van het wetenschappelijk onderwijs heeft gevolgen voor Delft, de landbouwhogeschool in Wageningen trekt een deel van het onderwijs in en onderzoek aan tropische gewassen naar zich toe.

 

 

 

De tuin wordt kleiner

In de jaren '50 is er even een opleving: de hoogleraar P.A. Roelofsens slaagt er in om de kassen ingrijpend te laten renoveren. Maar als hij in 1966 overlijdt, blijft zijn leerstoel tien jaar lang leeg. De tuin komt nu in de gevarenzone terecht, een voorstel om de grond te gebruiken voor nieuwbouw kan nog maar net op tijd worden gestopt. In de jaren '80 fuseert de vakgroep waar de tuin onder viel. De tuin verloor daarmee zijn directe band met onderwijs en onderzoek.

Luchtfoto 1970 De gevolgen werden al snel zichtbaar. Het herbarium dat zijn functie verloren had, werd integraal overgedragen aan het Rijksherbarium te Leiden, nu het Nationaal Herbarium Nederland. Datzelfde gebeurde met de collectie taxonomische boeken. De verzameling tropische producten die door Van Iterson was aangelegd, ging naar het Technisch Tentoonstellings Centrum, nu Techniek Museum, van de universiteit. In 1988 werd die verzameling opgesplitst, een deel ging naar het Delftse museum Nusantara, de zoölogische preparaten werden overgedragen aan het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie, nu museum Naturalis, in Leiden. Alleen de monsters van tropische producten bleven in Delft. De tuin zelf werd ook een flink stuk kleiner. Toen de Meetkundige Dienst van Rijkswaterstaat het voormalige gebouw van de faculteit Geodesie aan de Kanaalweg kocht, ging daarmee ook de proeftuin verloren.

 

 

 

Nationale Plantencollectie

Niet alleen de botanische tuin in Delft werd bedreigd, in dezelfde periode kwam ook het voortbestaan van andere botanische tuinen in Nederland op de tocht te staan. Om overlap te vermijden begonnen die de collecties op elkaar af te stemmen. Naast het onderzoek kregen de tuinen er een functie bij, die van een levend nationaal botanisch archief.

Om de bestaande samenwerking een formele basis te geven werd in 1988 de Stichting Nederlandse Plantentuinen (SNP) opgericht. Deze naam werd in 1998 statutair gewijzigd in Stichting Nationale Plantencollectie.

Het initiatief van de SNP had een opmerkelijk succes. Ruim twintig botanische tuinen, zowel particuliere als universitaire, werken er al jaren prima in samen. De Nationale Plantencollectie is verdeeld over de deelnemers. De SNP zorgt er voor dat hiaten in de collecties of een te grote overlap zoveel mogelijk worden vermeden.

De botanische tuinen verloren dus niet alleen functies, ze kregen er ook nieuwe bij. Tuinbouwscholen, gespecialiseerde kwekers en liefhebbers gingen regelmatig een beroep doen op hun kennis en ervaring. Natuur- en milieueducatief werk, gecombineerd met de informatieverstrekking aan een breed publiek, werd steeds belangrijker.

 

 

 

Nieuw elan

Om de band met het agrarisch onderwijs te versterken werd de collectie siergewassen in de tuin uitgebreid. Er zijn diverse natuur- en milieueducatieve projecten gestart. Door de samenwerking met het gemeentelijk natuur- en milieucentrum De Papaver bezoeken leerlingen van basisscholen de tuin regelmatig. Daarnaast zijn er activiteiten zoals mini-exposities, ruilbeurzen en concerten.

De registratie en ontsluiting van de collectie wordt de komende jaren aanzienlijk verbeterd. In 1997 stelde de toenmalige staatssecretaris Nuis een subsidie beschikbaar voor het behoud van het academisch erfgoed. Onder dat erfgoed vielen ook de botanische tuinen van Amsterdam, Delft, Leiden, Utrecht en Wageningen. De bedoeling is om de collecties van de botanische tuinen via Internet toegankelijk te maken, het zoeken naar lokaties waar bepaalde planten zich bevinden te versimpelen en de beschrijvingen van de collecties op peil te brengen. Voor de botanische tuin in Delft een welkome steun!

Ook de banden met de universiteit zijn aangehaald. In 1999 is een beleidsplan geschreven en zijn er voorstellen gedaan om de financiële positie van de tuin te verbeteren. Vanuit de kant van de wetenschap bestaat er weer belangstelling voor de mogelijkheden die de botanische tuin biedt. Verschillende instellingen, zoals het Institute for Hydraulic Engineering, doen onderzoek. Soms is dat verrassend, zoals de spraakmakende experimenten van dr.ir. J. Marijnissen. Hij slaagde er in met een nieuwe methode Baccatin-III, een stof die een belangrijke rol speelt in het onderzoek naar kanker, te winnen uit de naalden van de Taxus baccata. Voor dit onderzoek werden in de Delftse botanische tuin extra bomen van deze soort aangeplant. Inmiddels zijn er onderzoekssamenwerkingsprogramma's gestart met diverse faculteiten van de TU Delft en van andere universiteiten en met horti in Nederland. Ook wordt de functie van de tuin voor het wetenschappelijk onderwijs versterkt. Tenslotte zijn er ontwerpen in de maak voor verbeterde faciliteiten, ook voor het algemene publiek. Nieuw elan in de Botanische Tuin TU Delft, een oase van groen en rust, en een waardevolle wetenschappelijke bron en belangrijk cultuurbezit.

 

Naam auteur: jschrijvenaars
© 2014 TU Delft

Metamenu